Wekelijkse documentaire. In deze aflevering een vraaggesprek met violist en concertmeester Jacques Holtman, over het muziekleven van na de Tweede Wereldoorlog, afgewisseld met historische opnamen uit het omroeparchief. Gespreksonderwerpen zijn: zijn opleiding aan het conservatorium in Amsterdam; zijn baan als violist in het Concertgebouworkest, die hij accepteerde uit economische motieven; zijn interesse voor schilderen en beeldhouwen naast de muziek; de begeleiding door zijn collega's in het Concertgebouworkest gedurende de eerste jaren dat hij in het orkest zat; zijn keuze om niet opportunistisch te werk te gaan in het belang van zijn carrière, maar alleen de dingen te doen die hij leuk en interessant vond; zijn vroege belangstelling voor eigentijdse composities; zijn contacten met de directeur van het conservatorium Hendrik Andriessen; zijn waardering voor Eduard van Beinum, die hij vooral prees om zijn eenvoud en muzikale kwaliteiten; de succesvolle concertreizen met het Concertgebouworkest; de constatering dat in de jaren vijftig nog bijna iedereen op darmsnaren speelde; de mindere kwaliteit van de eerste stalen snaren; de voordelen van de huidige stalen snaren t.o.v. de vroegere darmsnaren, waardoor deze in het moderne orkest niet meer gebruikt worden; de verschillen tussen het Concertgebouworkest en het Orkest van de Achttiende Eeuw, waarin hij sinds jaren aanvoerder van de altviolisten is; zijn grotere belangstelling voor oude muziek i.p.v. romantische muziek; zijn huidige muzikale activiteiten; zijn samenwerking met Bernard Haitink, die hij meemaakte als dirigent en als violist; zijn functie als concertmeester in het voormalig Kunstmaandorkest; zijn fascinatie voor opera en zijn belangstelling voor zangers en zangtechniek; zijn leiderschap in het Amati Kwartet en de nadelen die daaraan kleefde; de vele concerten die hij heeft gegeven met het Amati Kwartet, wat ten koste ging van de kwaliteit, terwijl de financiële verdiensten minimaal waren; zijn baan als concertmeester in het Rotterdams Philharmonisch Orkest; de opkomst van de oude muziek in de jaren zestig en de grote omschakeling die het voor hem betekende; de manier waarop hij oude muziek muzikaal en technisch benadert; de prettige periode die hij heeft gehad en nog heeft in het Orkest van de Achttiende Eeuw, wat mede bepaald wordt door de manier waarop de orkestleden met de muziek omgaan.
1998-05-10
xsd:date
Wekelijkse documentaire. In deze aflevering een vraaggesprek met violist en concertmeester Jacques Holtman, over het muziekleven van na de Tweede Wereldoorlog, afgewisseld met historische opnamen uit het omroeparchief. Gespreksonderwerpen zijn: zijn opleiding aan het conservatorium in Amsterdam; zijn baan als violist in het Concertgebouworkest, die hij accepteerde uit economische motieven; zijn interesse voor schilderen en beeldhouwen naast de muziek; de begeleiding door zijn collega's in het Concertgebouworkest gedurende de eerste jaren dat hij in het orkest zat; zijn keuze om niet opportunistisch te werk te gaan in het belang van zijn carrière, maar alleen de dingen te doen die hij leuk en interessant vond; zijn vroege belangstelling voor eigentijdse composities; zijn contacten met de directeur van het conservatorium Hendrik Andriessen; zijn waardering voor Eduard van Beinum, die hij vooral prees om zijn eenvoud en muzikale kwaliteiten; de succesvolle concertreizen met het Concertgebouworkest; de constatering dat in de jaren vijftig nog bijna iedereen op darmsnaren speelde; de mindere kwaliteit van de eerste stalen snaren; de voordelen van de huidige stalen snaren t.o.v. de vroegere darmsnaren, waardoor deze in het moderne orkest niet meer gebruikt worden; de verschillen tussen het Concertgebouworkest en het Orkest van de Achttiende Eeuw, waarin hij sinds jaren aanvoerder van de altviolisten is; zijn grotere belangstelling voor oude muziek i.p.v. romantische muziek; zijn huidige muzikale activiteiten; zijn samenwerking met Bernard Haitink, die hij meemaakte als dirigent en als violist; zijn functie als concertmeester in het voormalig Kunstmaandorkest; zijn fascinatie voor opera en zijn belangstelling voor zangers en zangtechniek; zijn leiderschap in het Amati Kwartet en de nadelen die daaraan kleefde; de vele concerten die hij heeft gegeven met het Amati Kwartet, wat ten koste ging van de kwaliteit, terwijl de financiële verdiensten minimaal waren; zijn baan als concertmeester in het Rotterdams Philharmonisch Orkest; de opkomst van de oude muziek in de jaren zestig en de grote omschakeling die het voor hem betekende; de manier waarop hij oude muziek muzikaal en technisch benadert; de prettige periode die hij heeft gehad en nog heeft in het Orkest van de Achttiende Eeuw, wat mede bepaald wordt door de manier waarop de orkestleden met de muziek omgaan.
3605
xsd:string
PGM546330
opera

Blank nodes